Na 'Mon oncle' (1958) wilde Jacques Tati nog radicaler de focus leggen op moderniteit, en op hoe mensen erin verdwalen. Alleen vond hij geen geschikte locatie voor zijn filmopnames, dus besloot hij zijn sets zelf te bouwen: een vliegveld, een kantoorgebouw, een restaurant, Parijse straten en een verkeersrotonde. Zo kon hij elke omgeving tot in de kleinste details controleren en vanuit elke gewenste hoek filmen. De set werd Tativille gedoopt - een stad van glas en staal, vol technologische snufjes. Maar 'Playtime' werd een gigantische flop en bracht Tati tot op de rand van het faillissement.
Vandaag wordt 'Playtime' beschouwd als Tati's meesterwerk. Gefilmd op 70mm, gebruikt de regisseur elke centimeter van het superbrede beeld. De choreografie is zo perfect en de visuele details zijn zo rijk dat je niet weet waar eerst te kijken. Ook Wes Anderson noemde zich een groot fan: het spel met symmetrie, enscenering en visuele grappen - zoals in 'The Grand Budapest Hotel - is iets wat beide regisseurs delen.